Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Bij taalonderzoek bij een tweetalig Punjabi-Nederlands-sprekend kind is het goed om de onderstaande probleemgebieden in gedachten
te houden. Mocht er de mogelijkheid zijn tot overleg met een tolk, dan is het zeer van belang dat de tolk hetzelfde (standaard)dialect spreekt als de ouders van het kind, vanwege de veelvoud van dialecten in het Punjabi, en de mogelijke verschillen tussen deze dialecten. Onderstaande punten zijn allemaal talige elementen waarbij het Nederlands en het Punjabi van elkaar verschillen. Problemen hiermee in het Nederlands hoeven dus geenszins op een TOS te wijzen.
Fonologie
Het leren van de volgende klanken: /v/ als in 'vier', /ɦ/ als in 'hand', /r/ als in 'raam', /ʏ/ als in 'put', /y/ als in 'huur', /ɑ/ als in 'bad' en en /ø/ als in 'reus'.
De uitspraak van de tweeklanken of diftongen /ɛi/ als in 'tijd', /œy/ als in 'buit' en /ɑu/.
De uitspraak van de Nederlandse consonantclusters in woorden als 'schreef' of 'herfst'.
Morfologie
Het aanleren van het geslacht van zelfstandig naamwoorden.
Het aanleren van het juiste meervoud voor verschillende zelfstandig naamwoorden.
Het ontbreken van een hulpwerkwoord voor de tegenwoordige tijd.
De plaatsing van hulpwerkwoorden voor het hoofd werkwoord (en niet achter, zoals in het Punjabi).
Het gebruik van lidwoorden en het juiste geslacht.
Syntaxis
De woordvolgorde met het werkwoord op de tweede plaats in de zin.
Het verplichte gebruik van een onderwerp in elke zin.
De plaatsing van preposities voor het zinsdeel waar ze betrekking op hebben (en niet achter, zoals in het Punjabi).
De inversie van het werkwoord en onderwerp en verplaatsingen van vraagwoorden in vraagzinnen.
Het verplichte gebruik van hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden in ontkennende zinnen.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Aangezien er nog geen onderzoek naar kenmerken van TOS in het Punjabi zijn gedaan, verwijzen wij onderzoekers naar de meer universele kenmerken van TOS. Een tolk of ouder van een Punjabi-sprekend kind zou bijvoorbeeld gevraagd kunnen worden of het kind laat ging praten, of het kind moeite heeft met de werkwoordvervoegingen, of het kind verplichte elementen in de zin weglaat en dergelijke.
1. Algemene informatie over het Punjabi
Origine
http://en.wikipedia.org/wiki/Punjabi_language
Punjabi, ook wel gespeld als Panjabi, wordt gesproken in Zuid-Pakistan (West-Punjab) en Noord-India (Oost-Punjab).Het aantal sprekers wordt geschat tussen de 80 en 100 miljoen in 2013, afhankelijk van welke talen en dialecten tot de taal worden gerekend (Lewis, 2013). Punjabi behoort tot de Indo-Arische taalfamilie (subgroep van de Indo-Europese taalfamilie) en heeft de volgende origine:
Origine van de taal Punjabi - Naar figuur 1 in Bahatia (1993).
Figuur 1. Origine
Vormen en Dialecten
Er is nogal wat onduidelijkheid over wat de standaardvorm van Punjabi is. Over het algemeen wordt aangenomen dat de standaardvorm is gebaseerd op het Majhi dialect, dat gesproken wordt in Lahore, Pakistan en in Amritsar, India (Bathia, 1993). Dit is ook de vorm die wordt gebruikt in de (klassieke) literatuur van Punjabi. Echter, de dialecten van Punjabi die gesproken worden in West Punjab (Pakistan) verschillen nog al van de klassieke geschreven vormen van het Punjabi (Tolstaya, 1981). Multani, Pothohari en Hindko, dialecten gesproken in de westelijke delen van Punjab, hebben fonologische en morfologische kenmerken die gelinkt kunnen worden aan Noordwest-Indische en Pakistaanse talen als Sindhi en Kasjmiri (Tolstaya, 1981). De oostelijke dialecten, inclusief de literaire vorm, lijken echter meer op Hindi (Tolstaya, 1981). Sommige onderzoekers geven dit dan ook aan als reden om de dialecten in West Punjab te classificeren als aparte taal: Lahanda (= westelijk) of West Punjabi (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993).
Echter, niet alle onderzoekers zijn het hier mee eens (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993). Sprekers van Punjabi gebruiken in het westen en oosten dezelfde literaire vorm en veel Punjabi onderzoekers neigen er dan ook naar om Oost- en West- Punjabi te beschouwen als vormen van dezelfde taal (Tolstaya, 1981). Bovendien is er niet veel onderzoek beschikbaar naar de verschillende dialecten (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993). Het ontbreken van consensus over dit ontwerp zorgt helaas wel voor veel onduidelijkheden in de literatuur, waarin niet altijd even duidelijk wordt aangegeven op welke vorm, dialect of versie van Punjabi de betreffende studie is gebaseerd.
Op deze pagina zal worden uitgegaan van Punjabi, waarin zowel de oostelijke als westelijke vormen worden geïncludeerd, in navolging van de belangrijkste bronnen van Tolstaya (1981) en Bathia (1993). Waar mogelijk zal extra informatie gegeven worden over of het West- of Oost- Punjabi betreft. Echter, alternatieve interpretaties zijn mogelijk en over veel dialecten is weinig informatie beschikbaar. Om deze redenen is het van belang dat er advies wordt ingewonnen bij een tolk of expert uit dezelfde regio als het kind bij eventuele diagnose van een tweetalig kind met Punjabi als (een van de) moederta(a)l(en).
Gebruik en sociolinguïstische status
In Pakistan spreekt of verstaat ongeveer 60 miljoen mensen een vorm van Western Punjabi (Lewis et al., 2013), waardoor het tot de meest gesproken talen van Pakistan wordt gerekend (Pakistan Census, 1998). Het is echter niet de officiële taal van het land en wordt nog niet gebruikt en ondersteund door instellingen buiten het huis en de plaatselijke gemeenschap ("Pakistan", Lewis et al., 2013). Op een aantal universiteiten wordt er echter wel aandacht aan de taal en de bijbehorende cultuur geschonken, zoals op het Department of Punjabi van de University of the Punjab in Pakistan (Department of Punjabi, 2011). In India wordt Eastern Punjabi met name gesproken in de provincie genaamd Punjab, in het noorden van India, door ongeveer 28 miljoen mensen ("India", Lewis et al., 2013). Punjabi is de officiele taal van deze provincie, en behoort dus tot de vele officiële talen van India ("India", Lewis et al., 2013).
De officiële talen die landelijk gelden in Pakistan en India zijn respectievelijk Urdu en Hindi ("India", "Pakistan", Lewis et al., 2013). In beide landen is Engels ook nog een officiële taal. In zowel India als Pakistan heeft Punjabi een mindere status ten opzichte van de officiële talen, al is dit verschil in status groter in Pakistan ("India", "Pakistan", Lewis et al., 2013). Punjabi wordt ook gesproken in landen waar veel Punjabi-sprekende immigranten uit Pakistan en India wonen, zoals de Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk, Canada en Australië. Hier is het Punjabi een minderheidstaal ("Panjabi, Western", "Panjabi, Eastern", Lewis et al., 2013).
Schrift
Punjabi wordt door verschillende (religieuze) groepen geschreven met een verschillend alfabet. In India wordt Punjabi over het algemeen geschreven in het Gurmukhi alfabet, terwijl in Pakistan het Shahmukhi alfabet wordt gebruikt (Omniglot, 2014).
Gurmukhi betekent letterlijk "uitgaande van de mond van een goeroe", een naam die verwijst naar de eerste gebruikers van dit alfabet, de religieuze leraren van het sikhisme (Tolstaya, 1981). Het alfabet bestaat uit 35 letters en wordt van links naar rechts geschreven (Tolstaya, 1981). Het schrift is een syllabisch schrift, wat betekent dat elk teken (op 3 tekens na) staat voor een een consonant plus de korte klinker /a/ (Tolstaya, 1981). Om andere klinkers dan /a/ te schrijven, wordt gebruik gemaakt van extra tekentjes die voor, achter, onder of boven de consonant worden geplaatst (Tolstaya, 1981). In India wordt nog een ander schrift gebruikt voor het schrijven van Punjabi, het Devanagari alfabet, wat gebruikt wordt voor Hindi (Bathia, 1993).
Shahmukhi betekent letterlijk "uitgaande van de mond van een shah/koning" (Omniglot, 2014). Dit alfabet is een aanpassing van het Perzisch-Arabisch schrift, dat vaak wordt gebruikt door moslims en mensen in Pakistan, aangezien Arabisch en Urdu ook in dit Perzisch-Arabische schrift wordt geschreven (Bathia, 1993). Dit schrift wordt dan ook van rechts naar links geschreven (Omniglot, 2014).
Rechts is een vergelijking te zien tussen het Shahmukhi en het Gurmukhi. Het bovenste teken is het Shahmukhi-teken, het teken daaronder het Gurmukhi-teken. Daaronder staat in Latijnse letters de benaming van de letter, en de corresponderende Latijnse letter. Tussen de blokhaken staat elke keer de betreffende klank geschreven in het Internationaal Fonetisch Alfabet.
2. Specifieke informatie over het Punjabi
Fonologie
In het Punjabi komen 10 klinkers voor. Elk van deze klinkers heeft een genasaliseerde variant. In onderstaand schema staat de inventarisatie van klinkers in het Punjabi.
Tabel 1. Inventarisatie klinkers in het Punjabi en de plaats in de mond waar de klinker wordt uitgesproken.
Front
Near-Front
Central
Near-back
Back
Close
iː
u
Close-mid
eː
ɪ
ʊ
oː
Mid
ə
Open-mid
ɛː
ɔː
Open
aː
Naast deze klinkers heeft het Punabi 36 medeklinkers. In onderstaand schema staan deze medeklinkers weergegeven. Op plekken in het schema waar fonemen in paren staan, is het rechter foneem een stemhebbende klank. Opvallend is dat de labiodentale en palatale fricatieven hun stemhebbende variant missen (Bhatia, 1993).
Tabel 2. Inventarisatie medeklinkers in het Punjabi en de plaats in de mond waar de medeklinker wordt uitgesproken.
Bilabial
Labiodental
Dental
Alveolar
Retroflex
Post-alveolar/Palatal
Velar
Glottal
Plosive
p / b
t̪ / d̪
ʈ / ɖ
c /ɟ
k / g
Plosive aspirated
pʰ
t̪ʰ
ʈʰ
kʰ
Affricate
tʃ / dʒ
Affricative aspirated
tʃʰ
Nasal
m
n
ɳ
ɲ
ŋ
Fricative
f
s / z
ʂ
ʃ
x / ɣ
h
Tap or Flap
ɾ
ɽ
Approximant
ʋ
j
Lateral-appr.
l
ɭ
Punjabi is een toontaal. Dat wil zeggen dat alleen de toonhoogte waarop een woord wordt uitgesproken voor een andere betekenis kan zorgen, ook al is de spelling/fonologische uitspraak hetzelfde. De toon beïnvloed de beklemtoonde lettergreep van het woord. Het Punjabi heeft drie toonhoogtes, namelijk Hoog, Midden en Laag (Tolstaya, 1981).
De medeklinkers die wel in het Nederlands voorkomen, maar niet in het Punjabi zijn: /v/ als in 'vier', /ɦ/ als in 'hand' en /r/ als in 'raam'. Deze klanken zouden problemen kunnen veroorzaken voor tweedetaalleerders van het Nederlands. Een ander mogelijk probleem zijn de Nederlandse consonantclusters, ofwel de meerdere consonanten die achter elkaar achter elkaar moeten worden uitgesproken in woorden als 'schreef' of 'herfst'. Over het algemeen bestaan consonantclusters in Punjabi uit twee consonanten, op het woordeinde is deze lengte zelfs het toegestane maximum (Bathia, 1993). Bovendien worden in lager opgeleide gebieden en op het platteland consonantclusters aan het begin van het woord versimpeld door het invoegen van de klinkers /i/ en /a/ (Bathia, 1993). Aangezien veel Nederlandse woorden consonantclusters bevatten die kunnen bestaan uit twee, drie en in enkele gevallen vier consonanten, kunnen deze clusters uitspraakmoeilijkheden opleveren.
Naast de medeklinkers zijn er nog een aantal klinkers die niet in het Punjabi voorkomen, maar wel in het Nederlands. Het gaat hier om: /ʏ/ als in 'put', /y/ als in 'huur', /ɑ/ als in 'bad' en en /ø/ als in 'reus'. Ook komen de volgende tweeklanken of diftongen niet voor in Punjabi: /ɛi/ als in 'tijd', /œy/ als in 'buit' en /ɑu/ als in 'oud' of 'auto'. Dit kunnen klanken en klankcombinaties zijn waar tweedetaalleerders van het Nederlands qua uitspraak moeite mee zouden kunnen hebben, omdat ze niet in hun moedertaal voorkomen.
Morfologie Zelfstandig naamwoord
In de zelfstandig naamwoorden wordt onderscheid gemaakt voor geslacht (mannelijk en vrouwelijk), getal (enkelvoud en meervoud) en voor verschillende naamvallen (Tolstaya, 1981). Elk zelfstandig naamwoord heeft een verplicht suffix voor geslacht. Woorden eindigend in -/a/, -/ã/ en -/pan/ zijn over het algemeen mannelijk zoals in de woorden /hiã/ (=hart) en /bacpan/ (=jeugd) (Tolstaya, 1981). Woorden die eindigen in -i zijn over het algemeen vrouwelijk, zoals /kuri/ (= meisje) (Tolstaya, 1981). Er zijn echter ook woorden die afwijken van dit patroon. Niet alle zelfstandig naamwoorden eindigen in -/i/, -/a/, -/ã/ en -/pan/, zoals het woord /jat/ (=boer/plattelander) (Tolstaya, 1981). Ook eindigen woorden voor nationaliteiten en beroepen in -/i/, maar zijn mannelijk, zoals /nai/ (=kapper/barbier).
Bij woorden voor levende (animate) objecten, zoals mensen en dieren, komt het natuurlijk geslacht overeen met het grammaticaal geslacht (Tolstaya, 1981). Een voorbeeld hiervan is het woord /ma/ (=moeder), dat eindigt in -/a/ en vrouwelijk is (Tostaya, 1981). Voor niet animate zelfstandig naamwoorden is de toewijzing van geslacht arbitrair, en moet het geslacht dus uit het hoofd worden geleerd. (Tolstaya, 1981). Daarnaast is het geslacht van sommige niet animate zelfstandig naamwoorden onstabiel, en kunnen zowel mannelijk als vrouwelijk zijn.
Mannelijke woorden kunnen worden omgevormd tot vrouwelijke woorden door vervanging van de -/a/ door een -/i/, of door toevoeging van -/i/ -/ɽi/ -/ɳi/ en -/ni/ aan het eind van mannelijke woorden eindigend op een medeklinker.
Meervoud
Meervoud wordt op verschillende manieren gevormd, afhankelijk van het geslacht en de eindklanken van het woord (Tolstaya, 1981). Mannelijke woorden eindigend op een medeklinker of een klinker anders dan -/a/, blijven gelijk in de meervoudsvorm. Voor mannelijke woorden die wel eindigen op -/a/, wordt dit suffix veranderd in -/e/, behalve voor woorden over (familie)relaties, zoals broer of oom, en sommige woorden met een origine uit het Sanskrit of Iraans (Tolstaya, 1981). Vrouwelijke woorden krijgen in het meervoud het extra eindsuffix -/ã/ (Tolstaya, 1981). Voor vrouwelijke woorden die op -/a/ eindingen, wordt het suffix /ʋa/ toegevoegd (Tolstaya, 1981).
Het Nederlands heeft een meervoudssysteem dat niet is gebaseerd op geslacht, maar wel op woordeinde. De meeste woorden krijgen in het meervoud -/ən/, en aan de hand van een aantal regels krijgen woorden met een bepaald woordeinde -/s/ voor meervoud (Berendsen, n.d.). Deze regels zijn wellicht lastig om op te pikken, en dus moeten meervoudsvormen uit het hoofd geleerd worden. Dit kan op zich lastig zijn, al is er waarschijnlijk geen beperkende invloed uit het Punjabi op dit proces, aangezien het systeem in het Punjabi niet veel simpeler of ingewikkelder lijkt.
Naamvallen
In het Punjabi bestaan 6 verschillende naamvallen (Bhatia, 1993):
Direct/Nominatief; de uitvoerende van de actie van het werkwoord,
Obliquus; Het lijdend voorwerp van de actie van het werkwoord,
Vocatief, de vorm om iemand mee aan te spreken.
Ergatief; de uitvoerende van een overgankelijk werkwoord (werkwoord met een lijdend voorwerp).
Accusatief/Datief; het meewerkend voorwerp of degene die iets ontvangt.
Instrumentalis; het instrument waarmee de actie van het werkwoord werkwoord wordt uitgevoerd.
Locatief; de plaats waar iets wordt geplaatst.
Genitief; bezit.
De nominatief, obliquus en vocatief worden aangegeven door middel van een suffix dat aan het zelfstandig naamwoord wordt toegevoegd. De overige naamvallen worden gevormd door het suffix van de obliquus in combinatie met een specifieke postpositie (achterzetsel). Het suffix dat wordt toegevoegd aan de verschillende naamwoorden verschilt voor de mannelijke en vrouwelijke woorden en de uitgang die ze hebben. In Tabel 3 hieronder is een overzicht te vinden van de suffixen en postposities voor de naamvallen.
Tabel 3. Suffixen voor de verschillende naamvallen in het Punjabi (Bhatia, 1993).
m = mannelijke woorden , m* = mannelijk, niet eindigend op -/a/, v = vrouwlijke woorden, v* = vrouwelijk, niet eindigend op -/i/
Naamval
Suffix
Postpositie
m
m*
v
v*
Direct/Nominatief
--
--
--
--
--
Obliquus
Ergatief
-/e/
--
--
--
ne
Accusatief/Datief
-/e/
--
--
--
nũ
Instrumentalis
-/e/
--
--
--
tõ
Locatief
-/e/
--
--
--
te
Genitive
-/e/
--
--
--
/da/, /de/, /di/, dɪã
Vocatief
-/ɪa/
-/ɪa/
-/ɪe/
-/e/
--
Zelfstandig naamwoorden in de vocatief naamval worden nog voorafgegaan door een extra marker, dit is óé of ʋe voor mannelijke woorden en /ni/ voor vrouwelijke woorden. In Tabel 4 hieronder is voor elke naamval en elke woordsoort een voorbeeld te zien.
Tabel 4. Voorbeelden van elke naamval en elke woordsoort in het Punjabi (Bhatia, 1993).
m = mannelijke woorden , m* = mannelijk, niet eindigend op -/a/, v = vrouwlijke woorden, v* = vrouwelijk, niet eindigend op -/i/
Naamval
m: ‘jongen’
m*: ‘man’
v: ‘meisje
v*: ‘nacht’
Direct/Nominatief
/muɳɖa/
/admi/
/kuɽi/
/ɾaat/
Obliquus
Ergatief
/muɳɖe ne/
/admi ne/
/kuɽi ne/
/ɾaat ne/
Accusatief/Datief
/muɳɖe nũ/
/admi nũ/
/kuɽi nũ/
/ɾaat nũ /
Instrumentalis
/muɳɖe tõ/
/admi tõ/
/kuɽi tõ/
/ɾaat tõ/
Locatief
/muɳɖe te/
/admi te/
/kuɽi te/
/ɾaat te/
Genitive
/muɳɖe da/
/admi da/
/kuɽi da/
/ɾaat da/
Vocatief
/óé muɳɖɪa/
/óé admɪa/
/ni kuɽɪe/
/ni ɾaate/
Het naamvalsysteem in het Nederlands, of beter gezegd, de restanten hiervan, is vele malen simpeler dan het systeem in Punjabi. Om deze reden worden op dit gebied dan ook geen significante problemen in de tweede taalverwerving van het Nederlands verwacht.
Bijvoeglijk naamwoord
In Punjabi is de plaats van het bijvoeglijk naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord wordt vervoegd aan de hand van het geslacht, getal en de naamval van het bijbehorende zelfstandig naamwoord (Tolstaya, 1981). De meeste mannelijke bijvoeglijk naamwoorden eindigen met -/a/ of /ã/, de meeste vrouwelijke bijvoeglijk naamwoorden met -/i/. In het geval van een meervoudig zelfstandig naamwoord, of een enkelvoudig zelfstandig naamwoord in de obliquus, verandert het suffix -/a/ of -/ã/ voor mannelijke bijvoeglijke naamwoorden in -/e/ of -/ẽ/ (Tolstaya, 1981). In het geval van een meervoudig zelfstandig naamwoord in de obliquus, wordt de uitgang -/ɪa/ (Tolstaya, 1981). Mannelijke bijvoeglijk naamwoorden met een andere eindklank blijven altijd hetzelfde (Tolstaya, 1981). Vrouwlijke bijvoeglijk naamwoorden veranderen alleen in combinatie met een meervoudig zelfstandig naamwoord: -/i/ wordt dan -/ã/ Tolstaya, 1981).
Tabel 5. Voorbeeld bijvoeglijk naamwoord met verbuiging voor geslacht in het Punjabi
Vrouwelijk
Mannelijk
Punjabi
Sōhṇī
Sōhṇā
Nederlands
Knap
Knap
In het Nederlands wordt het bijvoeglijk naamwoord alleen nog verbogen naar getal en geslacht. Het Nederlandse systeem is daarom minder omvangrijk als het gaat om verbuigingen, waardoor verwacht kan worden dat tweedetaalleerders van het Nederlands (met Punjabi als moedertaal) hier geen moeite mee ondervinden.
Werkwoorden
Het werkwoord staat in het Punjabi altijd aan het eind van de zin en past zich aan aan het onderwerp of het object in de zin (Tolstaya, 1981). Hiervoor bestaan suffixen die het werkwoord specificeren voor getal (enkelvoud of meervoud), geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en persoon (1e, 2e of 3e persoon) (Tolstaya, 1981). Ook zijn er suffixen en hulpwerkwoorden voor tijd, aspect en mood (Tolstaya, 1981).
Het infinitief wordt gevormd door de stam van het werkwoord te nemen en daar achter het suffix -na te plakken.
Tabel 6. Voorbeeld van werkwoord in het Punjabi (Tolstaya, 1981).
Stam
Infinitief
Punjabi
Khed
Khedna
Nederlands
Speel, spel
Spelen
Tijd De tegenwoordige tijd wordt gevormd door het suffix -/da/ toe te voegen aan de stam van het werkwoord, en de plaatsing van een hulpwerkwoord in tegenwoordige tijd achter het hoofdwerkwoord (Bhatia,1993). Het suffix -/da/ heeft verschillende vormen voor geslacht en getal (Bhatia,1993). Het hulpwerkwoord heeft verschillende vormen voor persoon en getal, maar in het Majhi dialect (en de meeste andere dialecten) niet voor geslacht (Bhatia,1993).
Tabel 7. Suffixen voor de tegenwoordige tijd (Bhatia, 1993).
Enkelvoud
Meervoud
Mannelijk
-/da/
-/de/
Vrouwelijk
-/di/
-/dɪã/
Tabel 8. Vormen voor het hulpwerkwoord voor de tegenwoordige tijd (Bhatia, 1993).
Enkelvoud
Meervoud
1e persoon
/(h)ã/
/(h)ã/
2e persoon
/(h)ãɪ̃/
/(h)o/
3e persoon
/(h)aɪ/
/han/
De verleden tijd word gevormd door een suffix toe te voegen aan de stam van het werkwoord (Bhatia). Dit suffix heeft verschillende vormen voor geslacht en getal (Bhatia, 1993). Er is geen hulpwerkwoord, al word er wel een hulpwerkwoord gebruikt in de perfectum van de verleden tijd (Bhatia, 1993). In de tabel hieronder staan de verschillende suffixen voor de verleden tijd.
Tabel 9. Suffixen voor de verleden tijd (Bhatia, 1993).
Enkelvoud
Meervoud
Mannelijk
-/ɪa/
-/e/
Vrouwelijk
-/i/
-/ɪã/
De toekomende tijd word gevormd door een suffix toe te voegen aan de stam van het werkwoord (Bhatia,1993). Dit suffix verschilt voor persoon, geslacht en getal. Bovendien zijn er hier verschillen per dialect in de klinkers die worden gebruikt (Bhatia,1993). In de tabel hieronder staan de verschillende suffixen. (Scheiding door “|” betekent een verschil tussen dialecten.)
Tabel 10. Suffixen voor de toekomende tijd (Bhatia, 1993).
Enkelvoud
Meervoud
Mannelijk
Vrouwelijk
Mannelijk
Vrouwelijk
1e persoon
-/ãga/ | -/ũga/
-/ãgi/ | -/ũgi/
-/ãge/
-/ãgɪã/
2e persoon
-/ega/
-/egi/
-/oge/
-/ogɪã/
3e persoon
-/ega/ | -/uga/
-/egi/ | -/ugi/
-/(a)ɳge
-/(a)ɳgɪã
Het duidelijkste verschil met het Nederlands is dat er in het Punjabi een hulpwerkwoord wordt gebruikt voor de onvoltooid tegenwoordige tijd. In het Nederlands is dit niet het geval. Een mogelijk probleem voor tweedetaalleerders zou kunnen zijn dat er een hulpwerkwoord wordt gebruikt en zo onbedoeld de voltooid tegenwoordige tijd wordt geuit. Ook is in het Nederlands de plaatsing van de hulpwerkwoorden voor het hoofdwerkwoord. In het Punjabi wordt het hulpwerkwoord achter het hoofdwerkwoord geplaatst, wat mogelijk een probleem in de woordvolgorde zou kunnen veroorzaken in tweedetaalleerders van het Nederlands. Verder is het congruentiesysteem in het Punjabi veel uitgebreider dan in het Nederlands, dus worden er op dit gebied geen problemen verwacht.
Mood
Mood heeft te maken met de wijze waarop iets gezegd of gedaan wordt en is in het Punjabi terug te vinden in de vorm van het werkwoord (Bhatia, 1993). In het Punjabi wordt mood uitgedrukt aan de hand van modale hulpwerkwoorden die na de stam of de infinitief komen (Bhatia, 1993). Dit is vergelijkbaar met het Nederlands, waardoor niet verwacht wordt dat tweedetaalleerders hier problemen mee zullen ondervinden.
Aspect
Werkwoorden in het Punjabi dragen ook kenmerken voor aspect, ofwel hoe de actie kan worden geplaatst in de tijd. Er wordt onder andere onderscheid gemaakt tussen een gebeurtenis als een afgesloten geheel en gebeurtenissen die voor een bepaalde tijd bezig zijn, maar er zijn nog veel meer vormen van aspect (Bhatia, 1993). Het aspect van een werkwoord wordt in veel gevallen weergegeven door een extra werkwoord achter het werkwoord te plaatsen (Bhatia, 1993). Dit tweede werkwoord verliest dan de orignele betekenis en functioneert alleen als markering voor de vorm van aspect die moet worden weergegeven (Bhatia, 1993). Het systeem voor aspect is in het Punjabi ingewikkelder dan het Nederlandse systeem. Het enige probleem dat hier kan ontstaan is dat de Nederlandse markering 'aan het' voor het werkwoord wordt geplaatst, in plaats van achter het werkwoord, zoals in Punjabi. Dit is echter slechts een klein onderdeel van een systeem dat veel minder gecompliceerd is dan het Punjabi, dus zullen de problemen niet zeer groot zijn.
Persoonlijk voornaamwoorden
In het Punjabi is voor de eerste en tweede persoon het onderscheid tussen persoon en getal gelijkend aan het Nederlands. In de 3e persoon (hij/zij/het) wordt er verplicht onderscheid gemaakt tussen of het onderwerp ver weg (persoonlijk voornaamwoord 'o') of dichtbij (persoonlijk voornaamwoord 'e') is (Bhatia, 1993). Dit onderscheid wordt niet gemaakt in de Nederlandse persoonlijk voornaamwoorden. Opvallend is dat voor de derde persoon, in tegenstelling tot in het Nederlands, er geen onderscheid wordt gemaakt voor getal in de nominatief. Een ander verschil met het Nederlands in de derde persoon is dat het onderscheid voor geslacht ontbreekt.
Tabel 11. De Punjabi persoonlijk voornaamwoorden, gespecificeerd voor persoon, nabijheid, getal en naamval staan in onderstaande tabel (Bhatia, 1993).
Persoon
Nabijheid
Getal
Naamval
Nominatief
Obliquus
1e
-
ev.
/mə̃ɪ/
/mə̃ɪ/
-
mv.
/əsĩ/
/sa/
2e
-
ev.
/tũ/
/tə̃ɪ/
-
mv.
/tusĩ/
/tuà/
3e
Dichtbij
ev.
/é/
/é(s) ne/
mv.
/é/
/énã ne/
Ver weg
ev.
ó
/ó(s) ne/
mv.
ó
/ónã ne/
Net als in het Nederlands, een formele aanspreekvorm, /tusĩ/, en een informele aanspreekvorm, /tũ/. Deze formele aanspreekvorm is identiek aan de meervoudsvorm voor de tweede persoon. In het Nederlands wordt voor de formele aanspreekvorm een aparte vorm gebruikt. Aangezien Punjabi-sprekende kinderen bekend zijn met een beleefdheidsvorm, zal dit waarschijnlijk geen problemen opleveren in de verwerving van Nederlands als tweede taal. Een mogelijk obstakel is wel dat er in het Nederlands gebruikt wordt gemaakt van een extra vorm. Verder lijkt het Nederlandse systeem voor persoonlijk voornaamwoorden simpeler dan het systeem in Punjabi. Om deze redenen worden op dit gebied dan ook geen significante problemen in de tweedetaalverwerving verwacht.
Lidwoorden
Lidwoorden komen niet voor in het Punjabi (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993). Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen bepaalde (in het Nederlands met 'de/het') en onbepaalde (In het Nederlands met 'een') zelfstandig naamwoorden (Bhatia, 1993), maar dit onderscheid is slechts zichtbaar in een beperkt aantal constructies in het Punjabi. Het is daarom waarschijnlijk dat Punjabi-sprekende tweedetaalleerders van het Nederlands moeite hebben met het verwerven en produceren van de Nederlandse lidwoorden.
Syntaxis Woordvolgorde
Punjabi heeft een SOV-volgorde in zinnen (subject(onderwerp) - object(lijdend voorwerp) - verb(werkwoord)), een volgorde die ook wordt aangehouden in andere zinstypes, zoals vraagzinnen (Bhatia, 1993). Ook het Nederlands is een SOV-taal, hoewel in de meeste zinnen de woordvolgorde SVO gebruikt wordt, waarbij het werkwoord de tweede plaats in de zin inneemt. Het kan zijn dat tweedetaalleerders daarom moeite hebben met zinnen als 'ik geef een boek', omdat in het Punjabi een andere woordvolgorde gebruikt zou worden, namelijk 'ik een boek geef'.
Congruentie
Over het algemeen congrueert het werkwoord in de zin met het onderwerp (Bhatia, 1993). Echter, als het onderwerp van een overgankelijk werkwoord (een werkwoord dat een lijdend voorwerp en eventueel meewerkend voorwerp vereist, zoals 'schrijven' of 'sturen') is gemarkeerd met een postpositie (achterzetsel), dan congrueert het werkwoord met het lijdend voorwerp (Bhatia, 1993).
Als het werkwoord gemarkeerd is voor het onderwerp, kan dit onderwerp in de zin worden weggelaten (Bhatia, 1993). Dit is alleen toegestaan als het onderwerp kan worden achterhaald door middel van pragmatiek, de context, of via de markering op het werkwoord (Bhatia, 1993). In het Nederlands is het weglaten van het onderwerp nooit toegestaan. Dit kan dan ook mogelijk een lastig aan te leren regel zijn.
Pre-/postposities
In Punjabi wordt gebruik gemaakt van postposities (achterzetsels), in plaats van preposities (voorzetsels) (Bhatia, 1993). Dit betekent dat woorden als 'in', 'op', 'aan' of 'achter', achter het zinsdeel staan waarop ze betrekking hebben. De postposities veranderen bovendien de vorm van het voorgaande zelfstandig naamwoord (Bhatia, 1993).
Tabel 12. Voorbeelden van postposities in het Punjabi
Punjabi
Nederlands vertaling per woord
Nederlands
Kar vicc
Huis in
In het huis
De postposities worden in Punjabi ook gebruikt voor het aangeven van het directe object (lijdend voorwerp) en het indirecte object (meewerkend voorwerp). Het gaat hier om de postpositie /nũ/ (Bhatia, 1993). Deze postpositie is verplicht voor animate (bezield/levend) directe objecten, en bepaalde inanimate (niet bezield/levend) directe objecten (Bhatia, 1993). In het Nederlands wordt het onderscheid tussen bepaald en onbepaald gemaakt met lidwoorden, maar in Punjabi ontbreken deze. In zinnen met zowel een animate of bepaald direct object als indirect object, ontstaat er een verschil tussen verschillende dialecten. In sommige dialecten krijgt ook het indirect object de postpositie /nũ/ (Bhatia, 1993). Nu is geeft woordvolgorde uitsluitsel over de betekenis, en komt het indirecte object altijd voor het directe object (Bhatia, 1993). Echter, in het Majhi dialect krijgt het indirecte object de voorkeur voor de postpositie (Bhatia, 1993).
Deze constructie wordt verduidelijkt in de voorbeelden hieronder. Hier is te zien dat in (1) /nũ/ niet verplicht is, maar in (2), met een animate direct object en in (3) met een bepaald direct object wel. In (4) is de constructie te zien met zowel een direct als een indirect object, volgens de regels van het Majhi dialect. De postpositie /nũ/ is niet langer nodig achter het woord voor 'kind', het directe object.
Tabel 13. Voorbeelden van postpositie met een animate of bepaald direct object en in het Majhi dialect. (Bhatia, 1993).
(1)
/mãi kətab vekhi/
Ik boek zien-verleden tijd-1e persoon
“Ik zag een boek” (niet: “Ik zag het boek”)
(2)
/mãi kuɽinũvekhia/
Ik meisje ppzien-verleden tijd-1e persoon
“Ik zag het/een meisje”
(3)
/mãi kətab nũvekhia/
Ik boek pp zien-verleden tijd-1e persoon
“Ik zag het boek” (niet: “Ik zag een boek”)
(4)
/mãi mã nũ kaka dɪtta/
Ik moeder pp child geven-verleden tijd-1e persoon mannelijk
“Ik gaf een/de moeder een/het kind” “Ik gaf een/het kind aan een/de moeder”
Het Nederlandse gebruik van preposities in van postposities zoals in Punjabi kan een obstakel vormen voor tweedetaalleerders. Het is in te denken dat volgorde van het Punjabi, wordt aangehouden, dus achter het betreffende zinsdeel, terwijl die volgorde in het Nederlands grammaticaal niet correct zou zijn. Bovendien is het feit dat verschillende Nederlandse werkwoorden verschillende preposities vereisen wellicht ook lastig aan te leren, aangezien in het Punjabi hier over het algemeen alleen de postpositie /nũ/ voor wordt gebruikt.
Vraagzinnen
Vraagzinnen kunnen in het Punjabi worden onderverdeeld in twee types: ja-nee vragen en vraagwoord vragen (Bhatia,1993). Ja-nee vragen worden gevormd door een bevestigende zin uit te spreken met omhooggaande intonatie aan het eind van de zin (Bhatia,1993). De zin kan worden begonnen met het vraagwoord /ki/, maar dit is, in tegenstelling tot de omhooggaande intonatie, niet verplicht (Bhatia, 1993). Vraagwoord vragen worden gevormd door het gevraagde deel van de zin te vervangen door een vraagwoord (Bhatia, 1993). Deze vraagwoorden, altijd beginnend met de letter /k/, worden in de zin altijd uitgesproken met extra nadruk (Bhatia, 1993). In zowel de ja-nee vragen als in de vraagwoord vragen wijkt de woordvolgorde dus niet af van bevestigende zinnen (Bhatia, 1993).
In het Nederlands worden ja-nee vraagzinnen gevormd door inversie van het onderwerp en het werkwoord (in zinnen als "Wil je een koekje?") en vraagwoord vragen door plaatsing van het vraagwoord naar het begin van de zin, onafhankelijk van de plaats in de zin die het gevraagde deel zou hebben (in zinnen als "Wat wil je?"). Deze veranderingen in de woordvolgorde bij vraagzinnen kunnen moeilijk zijn om aan te leren voor kinderen met Punjabi als moedertaal, vanwege de redelijk stabiele woordvolgorde in Punjabi.
Ontkennende zinnen
Een ontkennende zin wordt in het Punjabi gevormd met twee verschillende woorden: /na/, en /nai/. Na wordt gebruikt in de aanvoegende wijs of conjunctief, de conditionalis of voorwaardelijke wijs, de gebiedende wijs en in constructies met 'noch .. noch' 'niet ... noch' en voor een infinitief (Bhatia,1993). Naii wordt in alle andere gevallen gebruikt (Bhatia, 1993). In ontkennende zinnen worden bovendien verschillende elementen weggelaten, die in bevestigende zinnen wel aanwezig zijn. Het gaat hier om hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden (Bhatia, 1993). Ook worden sommige specificaties van het werkwoord weggelaten als de zin ontkennend wordt gemaakt (Bhatia, 1993).
Dit kan mogelijke problemen opleveren voor tweede taalleerders. In het Nederlands is het gebruik van hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden ook vereist in ontkennende zinnen. Een tweedetaalleerder van het Nederlands met Punjabi als moedertaal zou wellicht moeite hebben dit te leren, en zou in de productie gebruik kunnen maken van de constructie uit het Punjabi voor het weglaten van hulp- en koppelwerkwoorden.
3. Verwervingsvolgorde in het Punjabi
Helaas is er geen onderzoek bekend naar de verwervingsvolgorde van het Punjabi bij kinderen. Navraag bij Prof. Dr. Ismat Ullah Zahid, Department of Punjabi, op de University of the Punjab, Lahore in Pakistan en bij de afdeling Linguistics & Punjabi Lexicography van Punjabi University, Patiala in India heeft ook niets opgeleverd. Een reden voor het ontbreken van deze onderzoeken is wellicht dat veel kinderen die Punjabi spreken, opgroeien in landen waar meertaligheid en dus niet eentaligheid de norm is. Hierdoor is onderzoek naar moedertaalverwerving van enkel het Punjabi waarschijnlijk lastig te realiseren. Een bijkomende moeilijkheid wordt gevormd door de vele dialecten die bestaan in het Punjabi. Vooralsnog wordt er daarom vanuit gegaan dat kinderen die opgroeien met (een dialect van -) Punjabi als moedertaal ongeveer de universele stadia zullen volgen, als beschreven in het algemene verwervingsschema.
4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Punjabi
Helaas is er geen onderzoek bekend naar taalstoornissen bij Punjabi-sprekende kinderen. Navraag bij Prof. Dr. Ismat Ullah Zahid, Department of Punjabi, op de University of the Punjab, Lahore in Pakistan en bij de afdeling Linguistics & Punjabi Lexicography van Punjabi University, Patiala in India heeft ook niets opgeleverd.
Lewis, M. Paul, Gary F. Simons, and Charles D. Fennig (eds.). 2013. Ethnologue: Languages of the World, Seventeenth edition. Dallas, Texas: SIL International. Online version: http://www.ethnologue.com.
Rench, C. R., Hallberg, C. E. en O'Leary, C. F. (1992). Sociolinguistic survey of Pakistan Volume 3: Hindko and Gunjari. Pakistan: National Institute of Pakistan Studies.
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Table of Contents
Bij taalonderzoek bij een tweetalig Punjabi-Nederlands-sprekend kind is het goed om de onderstaande probleemgebieden in gedachten
te houden. Mocht er de mogelijkheid zijn tot overleg met een tolk, dan is het zeer van belang dat de tolk hetzelfde (standaard)dialect spreekt als de ouders van het kind, vanwege de veelvoud van dialecten in het Punjabi, en de mogelijke verschillen tussen deze dialecten. Onderstaande punten zijn allemaal talige elementen waarbij het Nederlands en het Punjabi van elkaar verschillen. Problemen hiermee in het Nederlands hoeven dus geenszins op een TOS te wijzen.
Fonologie
- Het leren van de volgende klanken: /v/ als in 'vier', /ɦ/ als in 'hand', /r/ als in 'raam', /ʏ/ als in 'put', /y/ als in 'huur', /ɑ/ als in 'bad' en en /ø/ als in 'reus'.
- De uitspraak van de tweeklanken of diftongen /ɛi/ als in 'tijd', /œy/ als in 'buit' en /ɑu/.
- De uitspraak van de Nederlandse consonantclusters in woorden als 'schreef' of 'herfst'.
Morfologie- Het aanleren van het geslacht van zelfstandig naamwoorden.
- Het aanleren van het juiste meervoud voor verschillende zelfstandig naamwoorden.
- Het ontbreken van een hulpwerkwoord voor de tegenwoordige tijd.
- De plaatsing van hulpwerkwoorden voor het hoofd werkwoord (en niet achter, zoals in het Punjabi).
- Het gebruik van lidwoorden en het juiste geslacht.
SyntaxisMogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Aangezien er nog geen onderzoek naar kenmerken van TOS in het Punjabi zijn gedaan, verwijzen wij onderzoekers naar de meer universele kenmerken van TOS. Een tolk of ouder van een Punjabi-sprekend kind zou bijvoorbeeld gevraagd kunnen worden of het kind laat ging praten, of het kind moeite heeft met de werkwoordvervoegingen, of het kind verplichte elementen in de zin weglaat en dergelijke.
1. Algemene informatie over het Punjabi
Origine
Vormen en Dialecten
Er is nogal wat onduidelijkheid over wat de standaardvorm van Punjabi is. Over het algemeen wordt aangenomen dat de standaardvorm is gebaseerd op het Majhi dialect, dat gesproken wordt in Lahore, Pakistan en in Amritsar, India (Bathia, 1993). Dit is ook de vorm die wordt gebruikt in de (klassieke) literatuur van Punjabi. Echter, de dialecten van Punjabi die gesproken worden in West Punjab (Pakistan) verschillen nog al van de klassieke geschreven vormen van het Punjabi (Tolstaya, 1981). Multani, Pothohari en Hindko, dialecten gesproken in de westelijke delen van Punjab, hebben fonologische en morfologische kenmerken die gelinkt kunnen worden aan Noordwest-Indische en Pakistaanse talen als Sindhi en Kasjmiri (Tolstaya, 1981). De oostelijke dialecten, inclusief de literaire vorm, lijken echter meer op Hindi (Tolstaya, 1981). Sommige onderzoekers geven dit dan ook aan als reden om de dialecten in West Punjab te classificeren als aparte taal: Lahanda (= westelijk) of West Punjabi (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993).
Echter, niet alle onderzoekers zijn het hier mee eens (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993). Sprekers van Punjabi gebruiken in het westen en oosten dezelfde literaire vorm en veel Punjabi onderzoekers neigen er dan ook naar om Oost- en West- Punjabi te beschouwen als vormen van dezelfde taal (Tolstaya, 1981). Bovendien is er niet veel onderzoek beschikbaar naar de verschillende dialecten (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993). Het ontbreken van consensus over dit ontwerp zorgt helaas wel voor veel onduidelijkheden in de literatuur, waarin niet altijd even duidelijk wordt aangegeven op welke vorm, dialect of versie van Punjabi de betreffende studie is gebaseerd.
Op deze pagina zal worden uitgegaan van Punjabi, waarin zowel de oostelijke als westelijke vormen worden geïncludeerd, in navolging van de belangrijkste bronnen van Tolstaya (1981) en Bathia (1993). Waar mogelijk zal extra informatie gegeven worden over of het West- of Oost- Punjabi betreft. Echter, alternatieve interpretaties zijn mogelijk en over veel dialecten is weinig informatie beschikbaar. Om deze redenen is het van belang dat er advies wordt ingewonnen bij een tolk of expert uit dezelfde regio als het kind bij eventuele diagnose van een tweetalig kind met Punjabi als (een van de) moederta(a)l(en).
Gebruik en sociolinguïstische status
In Pakistan spreekt of verstaat ongeveer 60 miljoen mensen een vorm van Western Punjabi (Lewis et al., 2013), waardoor het tot de meest gesproken talen van Pakistan wordt gerekend (Pakistan Census, 1998). Het is echter niet de officiële taal van het land en wordt nog niet gebruikt en ondersteund door instellingen buiten het huis en de plaatselijke gemeenschap ("Pakistan", Lewis et al., 2013). Op een aantal universiteiten wordt er echter wel aandacht aan de taal en de bijbehorende cultuur geschonken, zoals op het Department of Punjabi van de University of the Punjab in Pakistan (Department of Punjabi, 2011). In India wordt Eastern Punjabi met name gesproken in de provincie genaamd Punjab, in het noorden van India, door ongeveer 28 miljoen mensen ("India", Lewis et al., 2013). Punjabi is de officiele taal van deze provincie, en behoort dus tot de vele officiële talen van India ("India", Lewis et al., 2013).
De officiële talen die landelijk gelden in Pakistan en India zijn respectievelijk Urdu en Hindi ("India", "Pakistan", Lewis et al., 2013). In beide landen is Engels ook nog een officiële taal. In zowel India als Pakistan heeft Punjabi een mindere status ten opzichte van de officiële talen, al is dit verschil in status groter in Pakistan ("India", "Pakistan", Lewis et al., 2013). Punjabi wordt ook gesproken in landen waar veel Punjabi-sprekende immigranten uit Pakistan en India wonen, zoals de Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk, Canada en Australië. Hier is het Punjabi een minderheidstaal ("Panjabi, Western", "Panjabi, Eastern", Lewis et al., 2013).
Schrift
Punjabi wordt door verschillende (religieuze) groepen geschreven met een verschillend alfabet. In India wordt Punjabi over het algemeen geschreven in het Gurmukhi alfabet, terwijl in Pakistan het Shahmukhi alfabet wordt gebruikt (Omniglot, 2014).
Gurmukhi betekent letterlijk "uitgaande van de mond van een goeroe", een naam die verwijst naar de eerste gebruikers van dit alfabet, de religieuze leraren van het sikhisme (Tolstaya, 1981). Het alfabet bestaat uit 35 letters en wordt van links naar rechts geschreven (Tolstaya, 1981). Het schrift is een syllabisch schrift, wat betekent dat elk teken (op 3 tekens na) staat voor een een consonant plus de korte klinker /a/ (Tolstaya, 1981). Om andere klinkers dan /a/ te schrijven, wordt gebruik gemaakt van extra tekentjes die voor, achter, onder of boven de consonant worden geplaatst (Tolstaya, 1981). In India wordt nog een ander schrift gebruikt voor het schrijven van Punjabi, het Devanagari alfabet, wat gebruikt wordt voor Hindi (Bathia, 1993).
Shahmukhi betekent letterlijk "uitgaande van de mond van een shah/koning" (Omniglot, 2014). Dit alfabet is een aanpassing van het Perzisch-Arabisch schrift, dat vaak wordt gebruikt door moslims en mensen in Pakistan, aangezien Arabisch en Urdu ook in dit Perzisch-Arabische schrift wordt geschreven (Bathia, 1993). Dit schrift wordt dan ook van rechts naar links geschreven (Omniglot, 2014).
Rechts is een vergelijking te zien tussen het Shahmukhi en het Gurmukhi. Het bovenste teken is het Shahmukhi-teken, het teken daaronder het Gurmukhi-teken. Daaronder staat in Latijnse letters de benaming van de letter, en de corresponderende Latijnse letter. Tussen de blokhaken staat elke keer de betreffende klank geschreven in het Internationaal Fonetisch Alfabet.
2. Specifieke informatie over het Punjabi
Fonologie
In het Punjabi komen 10 klinkers voor. Elk van deze klinkers heeft een genasaliseerde variant. In onderstaand schema staat de inventarisatie van klinkers in het Punjabi.
Tabel 1. Inventarisatie klinkers in het Punjabi en de plaats in de mond waar de klinker wordt uitgesproken.
Naast deze klinkers heeft het Punabi 36 medeklinkers. In onderstaand schema staan deze medeklinkers weergegeven. Op plekken in het schema waar fonemen in paren staan, is het rechter foneem een stemhebbende klank. Opvallend is dat de labiodentale en palatale fricatieven hun stemhebbende variant missen (Bhatia, 1993).
Tabel 2. Inventarisatie medeklinkers in het Punjabi en de plaats in de mond waar de medeklinker wordt uitgesproken.
Punjabi is een toontaal. Dat wil zeggen dat alleen de toonhoogte waarop een woord wordt uitgesproken voor een andere betekenis kan zorgen, ook al is de spelling/fonologische uitspraak hetzelfde. De toon beïnvloed de beklemtoonde lettergreep van het woord. Het Punjabi heeft drie toonhoogtes, namelijk Hoog, Midden en Laag (Tolstaya, 1981).
De medeklinkers die wel in het Nederlands voorkomen, maar niet in het Punjabi zijn: /v/ als in 'vier', /ɦ/ als in 'hand' en /r/ als in 'raam'. Deze klanken zouden problemen kunnen veroorzaken voor tweedetaalleerders van het Nederlands. Een ander mogelijk probleem zijn de Nederlandse consonantclusters, ofwel de meerdere consonanten die achter elkaar achter elkaar moeten worden uitgesproken in woorden als 'schreef' of 'herfst'. Over het algemeen bestaan consonantclusters in Punjabi uit twee consonanten, op het woordeinde is deze lengte zelfs het toegestane maximum (Bathia, 1993). Bovendien worden in lager opgeleide gebieden en op het platteland consonantclusters aan het begin van het woord versimpeld door het invoegen van de klinkers /i/ en /a/ (Bathia, 1993). Aangezien veel Nederlandse woorden consonantclusters bevatten die kunnen bestaan uit twee, drie en in enkele gevallen vier consonanten, kunnen deze clusters uitspraakmoeilijkheden opleveren.
Naast de medeklinkers zijn er nog een aantal klinkers die niet in het Punjabi voorkomen, maar wel in het Nederlands. Het gaat hier om: /ʏ/ als in 'put', /y/ als in 'huur', /ɑ/ als in 'bad' en en /ø/ als in 'reus'. Ook komen de volgende tweeklanken of diftongen niet voor in Punjabi: /ɛi/ als in 'tijd', /œy/ als in 'buit' en /ɑu/ als in 'oud' of 'auto'. Dit kunnen klanken en klankcombinaties zijn waar tweedetaalleerders van het Nederlands qua uitspraak moeite mee zouden kunnen hebben, omdat ze niet in hun moedertaal voorkomen.
Morfologie
Zelfstandig naamwoord
In de zelfstandig naamwoorden wordt onderscheid gemaakt voor geslacht (mannelijk en vrouwelijk), getal (enkelvoud en meervoud) en voor verschillende naamvallen (Tolstaya, 1981). Elk zelfstandig naamwoord heeft een verplicht suffix voor geslacht. Woorden eindigend in -/a/, -/ã/ en -/pan/ zijn over het algemeen mannelijk zoals in de woorden /hiã/ (=hart) en /bacpan/ (=jeugd) (Tolstaya, 1981). Woorden die eindigen in -i zijn over het algemeen vrouwelijk, zoals /kuri/ (= meisje) (Tolstaya, 1981). Er zijn echter ook woorden die afwijken van dit patroon. Niet alle zelfstandig naamwoorden eindigen in -/i/, -/a/, -/ã/ en -/pan/, zoals het woord /jat/ (=boer/plattelander) (Tolstaya, 1981). Ook eindigen woorden voor nationaliteiten en beroepen in -/i/, maar zijn mannelijk, zoals /nai/ (=kapper/barbier).
Bij woorden voor levende (animate) objecten, zoals mensen en dieren, komt het natuurlijk geslacht overeen met het grammaticaal geslacht (Tolstaya, 1981). Een voorbeeld hiervan is het woord /ma/ (=moeder), dat eindigt in -/a/ en vrouwelijk is (Tostaya, 1981). Voor niet animate zelfstandig naamwoorden is de toewijzing van geslacht arbitrair, en moet het geslacht dus uit het hoofd worden geleerd. (Tolstaya, 1981). Daarnaast is het geslacht van sommige niet animate zelfstandig naamwoorden onstabiel, en kunnen zowel mannelijk als vrouwelijk zijn.
Mannelijke woorden kunnen worden omgevormd tot vrouwelijke woorden door vervanging van de -/a/ door een -/i/, of door toevoeging van -/i/ -/ɽi/ -/ɳi/ en -/ni/ aan het eind van mannelijke woorden eindigend op een medeklinker.
Meervoud
Meervoud wordt op verschillende manieren gevormd, afhankelijk van het geslacht en de eindklanken van het woord (Tolstaya, 1981). Mannelijke woorden eindigend op een medeklinker of een klinker anders dan -/a/, blijven gelijk in de meervoudsvorm. Voor mannelijke woorden die wel eindigen op -/a/, wordt dit suffix veranderd in -/e/, behalve voor woorden over (familie)relaties, zoals broer of oom, en sommige woorden met een origine uit het Sanskrit of Iraans (Tolstaya, 1981). Vrouwelijke woorden krijgen in het meervoud het extra eindsuffix -/ã/ (Tolstaya, 1981). Voor vrouwelijke woorden die op -/a/ eindingen, wordt het suffix /ʋa/ toegevoegd (Tolstaya, 1981).
Het Nederlands heeft een meervoudssysteem dat niet is gebaseerd op geslacht, maar wel op woordeinde. De meeste woorden krijgen in het meervoud -/ən/, en aan de hand van een aantal regels krijgen woorden met een bepaald woordeinde -/s/ voor meervoud (Berendsen, n.d.). Deze regels zijn wellicht lastig om op te pikken, en dus moeten meervoudsvormen uit het hoofd geleerd worden. Dit kan op zich lastig zijn, al is er waarschijnlijk geen beperkende invloed uit het Punjabi op dit proces, aangezien het systeem in het Punjabi niet veel simpeler of ingewikkelder lijkt.
Naamvallen
In het Punjabi bestaan 6 verschillende naamvallen (Bhatia, 1993):
De nominatief, obliquus en vocatief worden aangegeven door middel van een suffix dat aan het zelfstandig naamwoord wordt toegevoegd. De overige naamvallen worden gevormd door het suffix van de obliquus in combinatie met een specifieke postpositie (achterzetsel). Het suffix dat wordt toegevoegd aan de verschillende naamwoorden verschilt voor de mannelijke en vrouwelijke woorden en de uitgang die ze hebben. In Tabel 3 hieronder is een overzicht te vinden van de suffixen en postposities voor de naamvallen.
Tabel 3. Suffixen voor de verschillende naamvallen in het Punjabi (Bhatia, 1993).
v = vrouwlijke woorden, v* = vrouwelijk, niet eindigend op -/i/
Zelfstandig naamwoorden in de vocatief naamval worden nog voorafgegaan door een extra marker, dit is óé of ʋe voor mannelijke woorden en /ni/ voor vrouwelijke woorden. In Tabel 4 hieronder is voor elke naamval en elke woordsoort een voorbeeld te zien.
Tabel 4. Voorbeelden van elke naamval en elke woordsoort in het Punjabi (Bhatia, 1993).
v = vrouwlijke woorden, v* = vrouwelijk, niet eindigend op -/i/
Het naamvalsysteem in het Nederlands, of beter gezegd, de restanten hiervan, is vele malen simpeler dan het systeem in Punjabi. Om deze reden worden op dit gebied dan ook geen significante problemen in de tweede taalverwerving van het Nederlands verwacht.
Bijvoeglijk naamwoord
In Punjabi is de plaats van het bijvoeglijk naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord wordt vervoegd aan de hand van het geslacht, getal en de naamval van het bijbehorende zelfstandig naamwoord (Tolstaya, 1981). De meeste mannelijke bijvoeglijk naamwoorden eindigen met -/a/ of /ã/, de meeste vrouwelijke bijvoeglijk naamwoorden met -/i/. In het geval van een meervoudig zelfstandig naamwoord, of een enkelvoudig zelfstandig naamwoord in de obliquus, verandert het suffix -/a/ of -/ã/ voor mannelijke bijvoeglijke naamwoorden in -/e/ of -/ẽ/ (Tolstaya, 1981). In het geval van een meervoudig zelfstandig naamwoord in de obliquus, wordt de uitgang -/ɪa/ (Tolstaya, 1981). Mannelijke bijvoeglijk naamwoorden met een andere eindklank blijven altijd hetzelfde (Tolstaya, 1981). Vrouwlijke bijvoeglijk naamwoorden veranderen alleen in combinatie met een meervoudig zelfstandig naamwoord: -/i/ wordt dan -/ã/ Tolstaya, 1981).
Tabel 5. Voorbeeld bijvoeglijk naamwoord met verbuiging voor geslacht in het Punjabi
In het Nederlands wordt het bijvoeglijk naamwoord alleen nog verbogen naar getal en geslacht. Het Nederlandse systeem is daarom minder omvangrijk als het gaat om verbuigingen, waardoor verwacht kan worden dat tweedetaalleerders van het Nederlands (met Punjabi als moedertaal) hier geen moeite mee ondervinden.
Werkwoorden
Het werkwoord staat in het Punjabi altijd aan het eind van de zin en past zich aan aan het onderwerp of het object in de zin (Tolstaya, 1981). Hiervoor bestaan suffixen die het werkwoord specificeren voor getal (enkelvoud of meervoud), geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en persoon (1e, 2e of 3e persoon) (Tolstaya, 1981). Ook zijn er suffixen en hulpwerkwoorden voor tijd, aspect en mood (Tolstaya, 1981).
Het infinitief wordt gevormd door de stam van het werkwoord te nemen en daar achter het suffix -na te plakken.
Tabel 6. Voorbeeld van werkwoord in het Punjabi (Tolstaya, 1981).
Tijd
De tegenwoordige tijd wordt gevormd door het suffix -/da/ toe te voegen aan de stam van het werkwoord, en de plaatsing van een hulpwerkwoord in tegenwoordige tijd achter het hoofdwerkwoord (Bhatia,1993). Het suffix -/da/ heeft verschillende vormen voor geslacht en getal (Bhatia,1993). Het hulpwerkwoord heeft verschillende vormen voor persoon en getal, maar in het Majhi dialect (en de meeste andere dialecten) niet voor geslacht (Bhatia,1993).
Tabel 7. Suffixen voor de tegenwoordige tijd (Bhatia, 1993).
Tabel 8. Vormen voor het hulpwerkwoord voor de tegenwoordige tijd (Bhatia, 1993).
De verleden tijd word gevormd door een suffix toe te voegen aan de stam van het werkwoord (Bhatia). Dit suffix heeft verschillende vormen voor geslacht en getal (Bhatia, 1993). Er is geen hulpwerkwoord, al word er wel een hulpwerkwoord gebruikt in de perfectum van de verleden tijd (Bhatia, 1993). In de tabel hieronder staan de verschillende suffixen voor de verleden tijd.
Tabel 9. Suffixen voor de verleden tijd (Bhatia, 1993).
De toekomende tijd word gevormd door een suffix toe te voegen aan de stam van het werkwoord (Bhatia,1993). Dit suffix verschilt voor persoon, geslacht en getal. Bovendien zijn er hier verschillen per dialect in de klinkers die worden gebruikt (Bhatia,1993). In de tabel hieronder staan de verschillende suffixen. (Scheiding door “|” betekent een verschil tussen dialecten.)
Tabel 10. Suffixen voor de toekomende tijd (Bhatia, 1993).
Het duidelijkste verschil met het Nederlands is dat er in het Punjabi een hulpwerkwoord wordt gebruikt voor de onvoltooid tegenwoordige tijd. In het Nederlands is dit niet het geval. Een mogelijk probleem voor tweedetaalleerders zou kunnen zijn dat er een hulpwerkwoord wordt gebruikt en zo onbedoeld de voltooid tegenwoordige tijd wordt geuit. Ook is in het Nederlands de plaatsing van de hulpwerkwoorden voor het hoofdwerkwoord. In het Punjabi wordt het hulpwerkwoord achter het hoofdwerkwoord geplaatst, wat mogelijk een probleem in de woordvolgorde zou kunnen veroorzaken in tweedetaalleerders van het Nederlands. Verder is het congruentiesysteem in het Punjabi veel uitgebreider dan in het Nederlands, dus worden er op dit gebied geen problemen verwacht.
Mood
Mood heeft te maken met de wijze waarop iets gezegd of gedaan wordt en is in het Punjabi terug te vinden in de vorm van het werkwoord (Bhatia, 1993). In het Punjabi wordt mood uitgedrukt aan de hand van modale hulpwerkwoorden die na de stam of de infinitief komen (Bhatia, 1993). Dit is vergelijkbaar met het Nederlands, waardoor niet verwacht wordt dat tweedetaalleerders hier problemen mee zullen ondervinden.
Aspect
Werkwoorden in het Punjabi dragen ook kenmerken voor aspect, ofwel hoe de actie kan worden geplaatst in de tijd. Er wordt onder andere onderscheid gemaakt tussen een gebeurtenis als een afgesloten geheel en gebeurtenissen die voor een bepaalde tijd bezig zijn, maar er zijn nog veel meer vormen van aspect (Bhatia, 1993). Het aspect van een werkwoord wordt in veel gevallen weergegeven door een extra werkwoord achter het werkwoord te plaatsen (Bhatia, 1993). Dit tweede werkwoord verliest dan de orignele betekenis en functioneert alleen als markering voor de vorm van aspect die moet worden weergegeven (Bhatia, 1993). Het systeem voor aspect is in het Punjabi ingewikkelder dan het Nederlandse systeem. Het enige probleem dat hier kan ontstaan is dat de Nederlandse markering 'aan het' voor het werkwoord wordt geplaatst, in plaats van achter het werkwoord, zoals in Punjabi. Dit is echter slechts een klein onderdeel van een systeem dat veel minder gecompliceerd is dan het Punjabi, dus zullen de problemen niet zeer groot zijn.
Persoonlijk voornaamwoorden
In het Punjabi is voor de eerste en tweede persoon het onderscheid tussen persoon en getal gelijkend aan het Nederlands. In de 3e persoon (hij/zij/het) wordt er verplicht onderscheid gemaakt tussen of het onderwerp ver weg (persoonlijk voornaamwoord 'o') of dichtbij (persoonlijk voornaamwoord 'e') is (Bhatia, 1993). Dit onderscheid wordt niet gemaakt in de Nederlandse persoonlijk voornaamwoorden. Opvallend is dat voor de derde persoon, in tegenstelling tot in het Nederlands, er geen onderscheid wordt gemaakt voor getal in de nominatief. Een ander verschil met het Nederlands in de derde persoon is dat het onderscheid voor geslacht ontbreekt.
Tabel 11. De Punjabi persoonlijk voornaamwoorden, gespecificeerd voor persoon, nabijheid, getal en naamval staan in onderstaande tabel (Bhatia, 1993).
Net als in het Nederlands, een formele aanspreekvorm, /tusĩ/, en een informele aanspreekvorm, /tũ/. Deze formele aanspreekvorm is identiek aan de meervoudsvorm voor de tweede persoon. In het Nederlands wordt voor de formele aanspreekvorm een aparte vorm gebruikt. Aangezien Punjabi-sprekende kinderen bekend zijn met een beleefdheidsvorm, zal dit waarschijnlijk geen problemen opleveren in de verwerving van Nederlands als tweede taal. Een mogelijk obstakel is wel dat er in het Nederlands gebruikt wordt gemaakt van een extra vorm. Verder lijkt het Nederlandse systeem voor persoonlijk voornaamwoorden simpeler dan het systeem in Punjabi. Om deze redenen worden op dit gebied dan ook geen significante problemen in de tweedetaalverwerving verwacht.
Lidwoorden
Lidwoorden komen niet voor in het Punjabi (Tolstaya, 1981; Bathia, 1993). Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen bepaalde (in het Nederlands met 'de/het') en onbepaalde (In het Nederlands met 'een') zelfstandig naamwoorden (Bhatia, 1993), maar dit onderscheid is slechts zichtbaar in een beperkt aantal constructies in het Punjabi. Het is daarom waarschijnlijk dat Punjabi-sprekende tweedetaalleerders van het Nederlands moeite hebben met het verwerven en produceren van de Nederlandse lidwoorden.
Syntaxis
Woordvolgorde
Punjabi heeft een SOV-volgorde in zinnen (subject(onderwerp) - object(lijdend voorwerp) - verb(werkwoord)), een volgorde die ook wordt aangehouden in andere zinstypes, zoals vraagzinnen (Bhatia, 1993). Ook het Nederlands is een SOV-taal, hoewel in de meeste zinnen de woordvolgorde SVO gebruikt wordt, waarbij het werkwoord de tweede plaats in de zin inneemt. Het kan zijn dat tweedetaalleerders daarom moeite hebben met zinnen als 'ik geef een boek', omdat in het Punjabi een andere woordvolgorde gebruikt zou worden, namelijk 'ik een boek geef'.
Congruentie
Over het algemeen congrueert het werkwoord in de zin met het onderwerp (Bhatia, 1993). Echter, als het onderwerp van een overgankelijk werkwoord (een werkwoord dat een lijdend voorwerp en eventueel meewerkend voorwerp vereist, zoals 'schrijven' of 'sturen') is gemarkeerd met een postpositie (achterzetsel), dan congrueert het werkwoord met het lijdend voorwerp (Bhatia, 1993).
Als het werkwoord gemarkeerd is voor het onderwerp, kan dit onderwerp in de zin worden weggelaten (Bhatia, 1993). Dit is alleen toegestaan als het onderwerp kan worden achterhaald door middel van pragmatiek, de context, of via de markering op het werkwoord (Bhatia, 1993). In het Nederlands is het weglaten van het onderwerp nooit toegestaan. Dit kan dan ook mogelijk een lastig aan te leren regel zijn.
Pre-/postposities
In Punjabi wordt gebruik gemaakt van postposities (achterzetsels), in plaats van preposities (voorzetsels) (Bhatia, 1993). Dit betekent dat woorden als 'in', 'op', 'aan' of 'achter', achter het zinsdeel staan waarop ze betrekking hebben. De postposities veranderen bovendien de vorm van het voorgaande zelfstandig naamwoord (Bhatia, 1993).
Tabel 12. Voorbeelden van postposities in het Punjabi
De postposities worden in Punjabi ook gebruikt voor het aangeven van het directe object (lijdend voorwerp) en het indirecte object (meewerkend voorwerp). Het gaat hier om de postpositie /nũ/ (Bhatia, 1993). Deze postpositie is verplicht voor animate (bezield/levend) directe objecten, en bepaalde inanimate (niet bezield/levend) directe objecten (Bhatia, 1993). In het Nederlands wordt het onderscheid tussen bepaald en onbepaald gemaakt met lidwoorden, maar in Punjabi ontbreken deze. In zinnen met zowel een animate of bepaald direct object als indirect object, ontstaat er een verschil tussen verschillende dialecten. In sommige dialecten krijgt ook het indirect object de postpositie /nũ/ (Bhatia, 1993). Nu is geeft woordvolgorde uitsluitsel over de betekenis, en komt het indirecte object altijd voor het directe object (Bhatia, 1993). Echter, in het Majhi dialect krijgt het indirecte object de voorkeur voor de postpositie (Bhatia, 1993).
Deze constructie wordt verduidelijkt in de voorbeelden hieronder. Hier is te zien dat in (1) /nũ/ niet verplicht is, maar in (2), met een animate direct object en in (3) met een bepaald direct object wel. In (4) is de constructie te zien met zowel een direct als een indirect object, volgens de regels van het Majhi dialect. De postpositie /nũ/ is niet langer nodig achter het woord voor 'kind', het directe object.
Tabel 13. Voorbeelden van postpositie met een animate of bepaald direct object en in het Majhi dialect. (Bhatia, 1993).
Het Nederlandse gebruik van preposities in van postposities zoals in Punjabi kan een obstakel vormen voor tweedetaalleerders. Het is in te denken dat volgorde van het Punjabi, wordt aangehouden, dus achter het betreffende zinsdeel, terwijl die volgorde in het Nederlands grammaticaal niet correct zou zijn. Bovendien is het feit dat verschillende Nederlandse werkwoorden verschillende preposities vereisen wellicht ook lastig aan te leren, aangezien in het Punjabi hier over het algemeen alleen de postpositie /nũ/ voor wordt gebruikt.
Vraagzinnen
Vraagzinnen kunnen in het Punjabi worden onderverdeeld in twee types: ja-nee vragen en vraagwoord vragen (Bhatia,1993). Ja-nee vragen worden gevormd door een bevestigende zin uit te spreken met omhooggaande intonatie aan het eind van de zin (Bhatia,1993). De zin kan worden begonnen met het vraagwoord /ki/, maar dit is, in tegenstelling tot de omhooggaande intonatie, niet verplicht (Bhatia, 1993). Vraagwoord vragen worden gevormd door het gevraagde deel van de zin te vervangen door een vraagwoord (Bhatia, 1993). Deze vraagwoorden, altijd beginnend met de letter /k/, worden in de zin altijd uitgesproken met extra nadruk (Bhatia, 1993). In zowel de ja-nee vragen als in de vraagwoord vragen wijkt de woordvolgorde dus niet af van bevestigende zinnen (Bhatia, 1993).
In het Nederlands worden ja-nee vraagzinnen gevormd door inversie van het onderwerp en het werkwoord (in zinnen als "Wil je een koekje?") en vraagwoord vragen door plaatsing van het vraagwoord naar het begin van de zin, onafhankelijk van de plaats in de zin die het gevraagde deel zou hebben (in zinnen als "Wat wil je?"). Deze veranderingen in de woordvolgorde bij vraagzinnen kunnen moeilijk zijn om aan te leren voor kinderen met Punjabi als moedertaal, vanwege de redelijk stabiele woordvolgorde in Punjabi.
Ontkennende zinnen
Een ontkennende zin wordt in het Punjabi gevormd met twee verschillende woorden: /na/, en /nai/. Na wordt gebruikt in de aanvoegende wijs of conjunctief, de conditionalis of voorwaardelijke wijs, de gebiedende wijs en in constructies met 'noch .. noch' 'niet ... noch' en voor een infinitief (Bhatia,1993). Naii wordt in alle andere gevallen gebruikt (Bhatia, 1993). In ontkennende zinnen worden bovendien verschillende elementen weggelaten, die in bevestigende zinnen wel aanwezig zijn. Het gaat hier om hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden (Bhatia, 1993). Ook worden sommige specificaties van het werkwoord weggelaten als de zin ontkennend wordt gemaakt (Bhatia, 1993).
Dit kan mogelijke problemen opleveren voor tweede taalleerders. In het Nederlands is het gebruik van hulpwerkwoorden en koppelwerkwoorden ook vereist in ontkennende zinnen. Een tweedetaalleerder van het Nederlands met Punjabi als moedertaal zou wellicht moeite hebben dit te leren, en zou in de productie gebruik kunnen maken van de constructie uit het Punjabi voor het weglaten van hulp- en koppelwerkwoorden.
3. Verwervingsvolgorde in het Punjabi
Helaas is er geen onderzoek bekend naar de verwervingsvolgorde van het Punjabi bij kinderen. Navraag bij Prof. Dr. Ismat Ullah Zahid, Department of Punjabi, op de University of the Punjab, Lahore in Pakistan en bij de afdeling Linguistics & Punjabi Lexicography van Punjabi University, Patiala in India heeft ook niets opgeleverd. Een reden voor het ontbreken van deze onderzoeken is wellicht dat veel kinderen die Punjabi spreken, opgroeien in landen waar meertaligheid en dus niet eentaligheid de norm is. Hierdoor is onderzoek naar moedertaalverwerving van enkel het Punjabi waarschijnlijk lastig te realiseren. Een bijkomende moeilijkheid wordt gevormd door de vele dialecten die bestaan in het Punjabi. Vooralsnog wordt er daarom vanuit gegaan dat kinderen die opgroeien met (een dialect van -) Punjabi als moedertaal ongeveer de universele stadia zullen volgen, als beschreven in het algemene verwervingsschema.
4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Punjabi
Helaas is er geen onderzoek bekend naar taalstoornissen bij Punjabi-sprekende kinderen. Navraag bij Prof. Dr. Ismat Ullah Zahid, Department of Punjabi, op de University of the Punjab, Lahore in Pakistan en bij de afdeling Linguistics & Punjabi Lexicography van Punjabi University, Patiala in India heeft ook niets opgeleverd.
5. Literatuurverwijzingen
- Berendsen, B. (2014) Meervoud: -s of -en?. Bezocht op 04-02-2014. <http://www.dutchgrammar.com/nl/?n=NounsAndArticles.11>
- Bhatia, T. K. (1993). Punjabi: descriptive grammars. London: Routledge.
- Department of Punjabi. (2011). Bezocht op 04-02-2014. <http://pu.edu.pk/home/department/32/Department-of-Punjabi.>
- Lewis, M. Paul, Gary F. Simons, and Charles D. Fennig (eds.). 2013. Ethnologue: Languages of the World, Seventeenth edition. Dallas, Texas: SIL International. Online version: http://www.ethnologue.com.
- Rench, C. R., Hallberg, C. E. en O'Leary, C. F. (1992). Sociolinguistic survey of Pakistan Volume 3: Hindko and Gunjari. Pakistan: National Institute of Pakistan Studies.
- Pakistan Census. (1998). Population by mother tongue. Bezocht op 04-02-2014. <http://www.census.gov.pk/MotherTongue.htm.>
- Punjabi language and the Gurmukhi and Shamukhi scripts and pronounciation. (no date). Bezocht op 04-02-2014.
- <http://www.omniglot.com/writing/punjabi.htm.>
- Tolstaya, N. I. (1981). The Panjabi Language: a descriptive grammar. London: Routledge & Keagan Paul.
Websites